• Font Size:
  • A
  • A
  • A
ECOstyle - van nature bewust

Schaap/geit

De geit (Capra hircus) is een evenhoevige (twee klauwen  per poot)  herkauwer en is nauw verwant aan het schaap (zie kader). Waarschijnlijk werd de geit zo’n 8000-9000 jaar geleden  in Azië gedomesticeerd . Men beschouwt de Bezoargeit (Capra aegagrus) als de stamvorm van de huisgeit.


Als huisdier is de geit door de mens in alle werelddelen ingevoerd, waar ze ook thans nog als koe van de kleine man een niet onbelangrijke rol speelt. Geiten kunnen zich onder sobere omstandigheden goed handhaven.


Er zijn ongeveer 200 verschillende rassen ontstaan door selectie en specifieke fokkerij en wereldwijd zijn er ongeveer 450 miljoen geiten. Aanvankelijk werd de geit in zijn oorspronkelijke droge leefomgeving gehouden voor het vlees, de mest  en de huiden. Veel later ontdekte men in Europa dat de geit ook in staat is om grote hoeveelheden melk te produceren.


Geiten zijn sociaal levende dieren en hun gedrag wordt dan ook voor een groot deel bepaald door onderlinge acties en reacties binnen de kudde. In een kudde geiten is er sprake van een sociale rangorde, deze rangorde wordt regelmatig  opnieuw bepaald , de geiten stoten en ‘bokken’ elkaar. Vooral tijdens voermomenten is dit gedrag duidelijk waarneembaar. De zintuigen van de geit zijn goed ontwikkeld. Geiten hebben een zeer scherp gehoor en een goed gezicht. Ze communiceren veel door te mekkeren.


De geit is van nature een nieuwsgierig dier dat graag een kijkje gaat nemen buiten z’n vertrouwde (afgebakende)  omgeving. Geiten zijn goede springers, en klimmers. Ze staan erom bekend, dat ze koppig zijn (‘een geit leert je vloeken’)  en dat ze allerlei dingen eten. Geiten eten graag gras, kruiden, groenten, plantenscheuten, bladeren en boomschors.


 

Gezondheidsaandoeningen bij de geit zijn  o.a:
 
Klauwaandoeningen
Bacteriële infecties, zoals

Virusinfecties, zoals blauwtong

 

Het schaap (Ovis aries) is een herkauwer en een evenhoevige (twee 'klauwtjes' per poot) en is nauw verwant aan de geit (Capra hircus ). Het is  zo’n 8000 jaar geleden in het Midden-Oosten gedomesticeerd (tot huisdier gemaakt). Het hedendaagse schaap stamt af van wilde schapen als de Oerial (Ovis vignei), de moeflon (Ovis gmelini) en de Argali (Ovis ammon). Deze  wilde schapen hebben  een normale vacht, geen wol!


In Nederland is men waarschijnlijk rond 5000 jaar geleden  schapen gaan houden. Ze worden gehouden voor de wol, het vlees, de mest en de melk. Daarnaast dienen schapen voor landschapsonderhoud op dijken en heidevelden. In Nederland komen nog een paar grote schaapskuddes voor.


Ten gevolge van gerichte fokkerij en natuurlijke selectie zijn er een groot aantal schapenrassen ontstaan. Uiteenlopende leefomstandigheden en  specifieke fokkerij op bepaalde kenmerken (veel wol, veel lammeren, goede grazers of veel vlees) heeft er toe geleid dat er in de loop der tijd bijna 1000 rassen zijn ontstaan!


Schapen vormen over het algemeen hechte sociale groepen die alleen in een kleine kudde en bij een beperkt voedselaanbod hun onderlinge (dominantie)verhoudingen tonen. Veelal door tegen elkaar aan te duwen.  Schapen zijn minder eigenwijs en gehoorzamer dan geiten. Ze zijn geneigd hun soortgenoten te volgen, en zullen minder de neiging hebben hun eigen gang te gaan. Het spreekwoord 'als er één schaap over de dam is, volgen er meer' is dus absoluut niet uit de lucht gegrepen!


Schapen zijn vergeleken met geiten  ‘voorzichtige’ eters. Ze  eten vooral gras en blaadjes, terwijl geiten juist ook dol zijn op twijgjes, takken en bast.


Schapen kunnen dankzij hun dikke wol erg lage temperaturen weerstaan. Ze hebben dan ook weinig behoefte aan een schuilplaats tegen de kou, maar toch is het prettig als er een stal of overkapping aanwezig is.

Gezondheidsaandoeningen bij het schaap zijn:

 

Klauwaandoeningen, zoals rotkreupel
Bacteriële infecties, zoals

Virusinfecties, zoals zere bekjes, blauwtong